2. Idealisme en nostalgie

Het bibliotheekfiliaal in de Molenwijk heeft een kast ‘Amsterdam’. Mijn oog valt op het boekje Noord in beeld, waarin een selectie van sculpturen in de openbare ruimte wordt gepresenteerd. De beelden worden kort en feitelijk beschreven, daardoor lijkt het boekje eerder een zakelijke inventaris dan een gids die daadwerkelijk publiek moet interesseren. Toevallig opent het boekje met de Molenwijk. De beschreven werken stammen allemaal uit de jaren zeventig en tachtig en ademen een vrijmoedig soort optimisme dat nu wat gedateerd aandoet: uit de kluiten gewassen veelkleurige speelgoeddieren, ballonnen in primaire kleuren, een serie golvende betonnen wandjes die als ‘afgesneden heuvels’ zijn betiteld. Onderweg op de fiets kom ik de meeste beelden tegen. Scheefgezakt, groen van algen, kapot of overwoekerd. De kunstwerken lijken hun jeugdige idealisme verloren te hebben, en zijn verworden tot vale tekens van nostalgie.

Jaap van Hunen, Afgesneden heuvels, 1977

Een revolutionaire wijk
De Molenwijk werd eind jaren zestig gebouwd om te voorzien in de groeiende woningbehoefte. Verdeeld over vijftien flatgebouwen van tien verdiepingen werden 1.256 woningen gerealiseerd. De woontorens zijn per vier rondom een hoge parkeergarage gerangschikt. Vanuit de lucht ziet dat eruit als de wieken van een molen, en daar ontleent de wijk haar naam aan. Door de strikte scheiding van functies (wonen, winkelen, werken) en de ruime parkachtige opzet was de Molenwijk een schoolvoorbeeld van het ‘Nieuwe Bouwen’. De wijk is in dezelfde periode als de Bijlmermeer ontwikkeld, maar is veel kleiner van opzet en daardoor behapbaarder gebleven.

Uit: Bouwen en wonen in Amsterdam – Molenwijk, 1968

In verschillende opzichten was de Molenwijk revolutionair. De flatgebouwen behoren tot de vroegste voorbeelden van grootschalige prefab-bouw. De benodigde betonnen elementen werden in een constante stroom aangeleverd door het Zaanse bouwbedrijf Indeco-Coignet. Daarnaast waren de woningen veel ruimer van opzet dan in andere naoorlogse wijken. Een vierkamerappartement in de Molenwijk had een vloeroppervlak van 95m2; gezinswoningen in Nieuw-West waren gemiddeld 65m2. Tenslotte: de Molenwijk was de eerste autovrije wijk van Europa. In de brochure Bouwen en wonen in Amsterdam – Molenwijk (1968), een uitgave van de Gemeente Amsterdam, staat vol trots:

‘Hier nu, heeft men de auto een duidelijk stedebouwkundig stopteken gegeven: tot hier toe en niet verder. Tussen woonmilieu en autoverkeer is een duidelijke scheiding gemaakt. […] We wonen in een stad en willen dat weten. En om de bewoners comfortabel te huisvesten stapelt men, behalve de auto’s, ook de woningen. […] Maar tussen de hoge woonblokken zal men veel ruimte vinden om te spelen en wat sport te bedrijven. […] Géén parkeerwoestijn, wél de troost van het groen na gedane arbeid.’

Van saamhorigheid tot kansarmoede
De Molenwijk is tot bloei gekomen in de jaren zeventig en tachtig. Dat is tevens de periode waarin het begrip bewonersparticipatie zijn intrede deed. Historicus Duco Hellema stelt in zijn boek Nederland en de jaren zeventig (2012) dat de politieke en culturele vernieuwingen in de jaren zestig resulteerden in een toenemend zelfbewustzijn van de bevolking. In tal van maatschappelijke sectoren werd de roep om meer inspraak en democratie vervolgens ingewilligd. Het is ook deze periode waar veel Molenwijkers van het eerste uur met enige nostalgie aan refereren, zo blijkt na vele ontmoetingen. Met weemoed wordt gesproken over druk bezochte inspraakavonden, bewonerscommissies, het gezamenlijk aanleggen en onderhouden van de heemtuin… Aan betrokkenheid en idealisme geen gebrek bij deze bewoners.

Uit: ‘Amsterdam, een groene stad’, in: Ons Amsterdam, jrg. 24, no. 9, september 1972

In de loop der jaren – door veranderingen in tijdgeest en bevolkingssamenstelling – zijn de bewonersparticipatie en gevoel van saamhorigheid echter onder druk komen te staan. Een adviesrapport dat in 2004 werd opgesteld in opdracht van de Gemeente Amsterdam gaat in op de veranderingen die enkele wijken in Amsterdam-Noord doormaken. De toon is uitermate somber. Grootschalige naoorlogse delen van Noord, zoals de Molenwijk, Nieuwendam-Noord en de Banne zijn al sinds de jaren tachtig minder in de gratie bij de kansrijkere Amsterdammers. Sluipenderwijs zijn deze gebieden het domein geworden van ‘kansarmen en ontheemden’: “Wat dan ontstaat is een concentratie van mensen met een heel uiteenlopende culturele achtergrond, die niets met elkaar gemeen hebben behalve hun kansarmoede, die er ook niet voor hebben gekozen daar te wonen en die ook niet in staat zijn er iets aan te veranderen. Van enige vorm van buurtgemeenschap is steeds minder sprake.”

Tijd van aanpakken
Sindsdien is het er natuurlijk het nodige verricht – door wijkbewoners, maatschappelijke organisaties, de woningcorporaties en de politiek – om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren en de sociale structuur in de wijk te ondersteunen. Maar er zijn ook bedenkelijke maatregelen genomen, zoals het wegbezuinigen van wijkcentrum het Molenhuis of het laten verloederen van de openbare ruimte.

In 2016 doen verschillende welzijnsorganisaties die in Amsterdam-Noord werkzaam een gemeenschappelijk appèl tot aanpakken van de leefbaarheid. De Molenwijk kent een stapeling van problemen, zo wordt gesignaleerd. ‘De sociaaleconomische situatie in Molenwijk verslechtert en de buurt scoort ongunstig als het gaat om leefbaarheid en veiligheid. (…) In de Molenwijk en De Banne zijn de leefomstandigheden van veel bewoners niet optimaal. De kwaliteit van de openbare ruimte en de veiligheid zijn voor verbetering vatbaar, kinderen moeten meer kansen krijgen en te veel huishoudens leven van een minimuminkomen. (…) Molenwijk kent verschillende groepen bewoners: van relatief veel senioren tot een instroom van grotere gezinnen. Veel mensen vinden de sociale samenhang in de wijk kwetsbaar, waardoor zij zich steeds minder veilig voelen.’

Over het IJ is ervan overtuigd dat kunst iets kan veranderen in onze samenleving. Het festival wil daar graag een actieve rol in spelen en vraagt aan de kunstenaars die deelnemen aan het Wijkmakersproject om te bezien hoe zij zich met deze wijk en haar bewoners kunnen verbinden vanuit hun eigen artistieke kracht. Maar: als het de professionals al zo moeilijk valt – kan kunst dan überhaupt een positieve bijdrage leveren aan de leefomstandigheden in een wijk? Of kan een kunstenaar juist omdat hij of zij geen ‘professional’ is op sociaal-maatschappelijk vlak, een heel ander perspectief of andersoortige impuls geven?